Delen
Liquiditeiten | Zijn uw liquiditeiten voldoende bedrijfsgebonden? | HLB Amsterdam
Menu
Actueel

Zijn uw liquiditeiten voldoende bedrijfsgebonden?

Gepubliceerd op

Welk deel van de liquide middelen behoort toe aan de zaak en welk deel is privé? Dat is belangrijk voor de vraag of er meer liquiditeiten op de bankrekening staan dan voor de onderneming noodzakelijk is. Want dat deel – ‘duurzaam overtollige liquide middelen’ – dient u in box 3 aan te geven.

Zijn uw liquiditeiten voldoende bedrijfsgebonden?

Voor een IB-ondernemer geldt dat hij op grond van de regels voor de zogeheten vermogensetikettering moet bepalen welke activa en passiva er op de balans van de onderneming thuishoren. Die regels zijn ook van toepassing op het saldo van de liquide middelen dat op de zakelijke bankrekening staat. Voor zover er meer liquiditeiten op de bankrekening staan dan voor de onderneming noodzakelijk is (de duurzaam overtollige liquide middelen), moet dat deel in box 3 worden opgenomen. Daarover is dan vermogensrendementsheffing verschuldigd.

Hoeveel vermogen is er binnen de onderneming nodig? 

Uiteindelijk is het aan de ondernemer om binnen de grenzen der redelijkheid te bepalen welk deel van de liquide middelen zakelijk zijn. Bij het indienen van de aangifte inkomstenbelasting heeft de ondernemer onderbouwd welk deel van het saldo liquide middelen als zakelijk kan worden aangemerkt. Dat is vooral van belang in de gevallen dat het saldo omvangrijk is en daarbij de vraag opkomt of het allemaal nodig is binnen de onderneming. Te denken valt aan het sparen voor bepaalde bedrijfsdoelen, zoals expansie, investeringen en/of overnames van andere bedrijven. Als dergelijke plannen goed onderbouwd zijn, dan kan gesteld worden dat de liquide middelen voldoende bedrijfsgebonden zijn en dus niet duurzaam overtollig.

Wat heeft de rechter beslist? 

Recent heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak gedaan over de vraag welk deel van de liquide middelen tot het ondernemingsvermogen behoren. Belanghebbende is advocaat en met een andere advocaat mede-eigenaar van een advocatenpraktijk. Bij de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2013 was het saldo liquide middelen op de ondernemingsbalans van € 388.988. De inspecteur vond een saldo van € 50.000 aan liquide middelen voldoende en corrigeerde de aangifte voor het verschil. In hoger beroep oordeelde het hof dat belanghebbende de grenzen van de redelijkheid niet had overschreden door een ruimere buffer in acht te nemen. De hoogte van het saldo van de liquide middelen stond daarmee niet ter discussie.

Overwegingen belanghebbende 

Overwegingen van belanghebbende om een hoog saldo liquide middelen als buffer aan te houden zijn tweeërlei. Er sprake is van een door twee advocaten gedreven advocatenpraktijk en er bestaat onzekerheid over het vertrek van de mede-eigenaar. Daarnaast speelt ook de grote mate van afhankelijkheid van de gefinancierde rechtsbijstand, die door bezuinigingen onder druk staat, mee. In latere jaren heeft er zich een omzetdaling voorgedaan.